Gewassen beschermen tegen wildschade: wat in de praktijk werkt
Voor steeds meer veehouders en akkerbouwers is wildschade een terugkerend probleem. In het bloeiseizoen neemt de kans op schade aan gewassen en landbouwgrond toe. In jonge planten zitten veel suikers, wat gewassen aantrekkelijk maakt voor herten. Wilde zwijnen worden daarnaast aangetrokken door percelen waar zij de bodem kunnen omwoelen op zoek naar aaltjes en ander bodemleven. Dit speelt niet alleen lokaal, maar is in heel Europa een terugkerend probleem.
Toch wordt het risico op wildschade vaak geaccepteerd. In de praktijk wordt er pas ingegrepen nadat schade al is ontstaan. “Zolang het nog niet is misgegaan, wordt het risico vaak voor lief genomen,” zegt Kees de Krom, Field Expert bij Gallagher. “Pas na de eerste schade gaan boeren nadenken over preventie. Als er voedsel te halen valt en er geen fysieke barrière is, weet wild het perceel altijd te vinden.” Ontbreekt een effectieve afscherming, dan neemt de kans op oogstverlies sterk toe. De vraag is dan ook niet of het misgaat, maar wanneer.
Gevolgen door wildschade
Wanneer gewassen gedeeltelijk of volledig worden aangevreten of omgewoeld door wild, heeft dat directe financiële gevolgen. De opbrengst van het perceel neemt af en inkomsten vallen weg. Dat verlies is definitief voor dat seizoen.
Naast het financiële gevolg speelt ook frustratie een grote rol. Niet alleen door de schade zelf, maar vooral omdat deze schade in veel gevallen voorkomen had kunnen worden met tijdige preventieve maatregelen.
In andere situaties en sectoren, zoals bij golfbanen en sportvelden, wordt preventieve bescherming tegen wild steeds gebruikelijker. “Als een wild zwijn een golfbaan omwoelt, gaat het niet alleen om herstelkosten,” zegt De Krom. “Zo’n baan is vaak ook voor langere tijd niet beschikbaar. Juist daarom zie je daar dat preventie steeds vaker de norm wordt in plaats van de uitzondering. Niet omdat het verplicht is, maar omdat het in de praktijk werkt.”
Waar de gevolgen van schade groot en zichtbaar zijn, wordt minder afgewacht en vaker gekozen voor preventie. Dat onderstreept dat wildschade geen incidenteel probleem is, maar een risico met blijvende impact.
Wat een afrastering effectief maakt tegen wild
Wild buiten een perceel houden vraagt om een andere benadering dan vee binnen een weiland houden. Dit onderscheid is belangrijk om te begrijpen waarom sommige afrasteringen tegen wild niet het gewenste effect hebben.
Vee kent schrikdraad. Het voedsel bevindt zich binnen het perceel, waardoor er geen reden is om de afrastering te doorbreken. In combinatie met de gewenning aan schrikdraad fungeert de afrastering vooral als begrenzing. Bij wild ligt dat anders. Wilde dieren hebben geen ervaring met schrikdraad en worden juist aangetrokken door het voedsel dat zich achter de afrastering bevindt. Daardoor zijn herten en wilde zwijnen gemotiveerd om door de barrière heen te komen.
“Een wild dier komt in de praktijk vaak maar één of twee keer in aanraking met een afrastering,” zegt De Krom. “Die eerste ervaring is daarom doorslaggevend. Is de schok krachtig genoeg, dan leert het dier dat deze plek geen toegankelijke voedselbron is en wijkt het uit. Blijft die ervaring te zwak, dan is de kans groot dat het dier blijft proberen en het perceel structureel gaat opzoeken.”
Bij het weren van wild is daarom een minimale spanning van 4,5 kV noodzakelijk. Wilde dieren hebben vaak een dikkere vacht, waardoor de eerste schok krachtig genoeg moet zijn om daadwerkelijk af te schrikken. Tegelijk is het belangrijk dat het dier de afrastering ook herkent. Wild is vaak actief in de schemering en blauw schrikdraad is in die omstandigheden beter zichtbaar. Hierdoor kan het dier de schok direct koppelen aan de afrastering en leert het dat deze barrière niet te passeren is.
De verschillende oplossingen tegen wildschade
Gallagher biedt verschillende oplossingen om wild te weren. In de praktijk komt de keuze vooral neer op tijdelijke of (semi-)permanente afrasteringen, afhankelijk van hoe lang bescherming nodig is.
Een tijdelijke afrastering is geschikt wanneer een gewas één seizoen op het land staat. De afrastering biedt bescherming zolang het gewas aanwezig is en kan daarna eenvoudig worden verplaatst of verwijderd. In de praktijk wordt hierbij vaak gewerkt met een haspelhoekpaal met meerdere draden, waarbij doorgaans vijf draden worden geplaatst op hoogtes tussen 18 cm en 138 cm.
Een (semi-)permanente afrastering is een betere keuze wanneer een perceel jaarlijks terugkerend risico loopt op wildschade. Dit geldt vooral bij vaste locaties of meerjarige teelten waar wild structureel actief is. Deze oplossing wordt vaak opgebouwd met Line Post palen in combinatie met high tensile draad en blauw lint, met zes draden op hoogtes tussen 15 cm en 135 cm.
Gaas wordt vaak overwogen, maar vormt uitsluitend een fysieke barrière. Het leert wild niet om het perceel te vermijden en is daardoor minder effectief. Een elektrische afrastering combineert een fysieke grens met een afschrikkende werking, waardoor dieren het perceel herkennen als een plek waar geen voedsel te halen is.
Wil je meer inzicht in hoe je wild buiten kunt houden? In onze whitepapers over wilde zwijnen en herten vind je aanvullende informatie en advies.