Jonge dieren leren omgaan met schrikdraad
Het moment dat jonge dieren voor het eerst naar buiten gaan is altijd bijzonder. Voor veulens, kalveren en lammeren betekent het vrijheid, ruimte en nieuwe prikkels. Omdat deze dieren nog geen weide ervaring hebben, vraagt de voorbereiding extra aandacht. Een afrastering die voor volwassen dieren prima werkt, is niet automatisch geschikt voor jonge dieren die hun grenzen nog moeten leren kennen.
In deze blog lees je waar je als dierhouder op moet letten om jonge paarden, koeien en schapen veilig en gecontroleerd voor het eerst naar buiten te doen.
Waarom jonge dieren een andere aanpak vragen
Jonge dieren gedragen zich anders dan volwassen dieren. Ze zijn nieuwsgierig, speels en minder voorzichtig. Waar volwassen dieren een afrastering vaak al respecteren, doen jonge dieren dit nog niet. Ze kunnen tegen de draad lopen, eronder proberen door te kruipen of er doorheen rennen en ontsnappen. Daarom is het belangrijk dat de afrastering vanaf het eerste moment op orde is. De eerste ervaring bepaalt namelijk hoe een dier de afrastering in de toekomst zal respecteren.
De basis moet kloppen vóór de eerste weidegang
De eerste stap is altijd het aanpassen van de afrastering aan het gedrag en formaat van jonge dieren. De afrastering moet voor hen logisch zijn. Dat betekent dat ze de afrastering moeten zien, begrijpen en niet onbedoeld kunnen negeren of passeren. Zichtbaarheid speelt hierbij een grote rol. Jonge dieren herkennen een duidelijke lijn sneller dan een dun draadje dat opgaat in de omgeving.
Bij jonge paarden en veulens is dit extra belangrijk. Veulens bewegen veel en reageren soms onverwacht. De afrastering moet daarom niet alleen goed zichtbaar zijn, maar ook veilig. Materialen die snij- of verwondingsrisico’s geven, zoals draad, kan je beter niet gebruiken. Meerdere lijnen op verschillende hoogtes zorgen ervoor dat een veulen de afrastering herkent voordat het er per ongeluk onderdoor of tegenaan loopt.
Kalveren en jonge koeien vragen om een andere benadering dan paarden of schapen. Ze zijn minder schrikachtig, maar juist onderzoekend en fysiek en testen grenzen vaak als groep. Als één dier druk zet op de afrastering, volgen er meestal meer. Daarom is het belangrijk dat de afrastering vanaf het begin overal juist is opgesteld en voldoende spanning geeft. De opstelling moet voorkomen dat kalveren onder de afrastering door kunnen kruipen of er met hun lichaam tegenaan duwen.
Bij lammeren en jonge schapen speelt formaat een grote rol. Ze zijn klein, wendbaar en nieuwsgierig. Als de afrastering niet goed is afgestemd, zijn ze eronderdoor of tussendoor voordat ze überhaupt hebben geleerd dat het een grens is. Daarom is de inrichting hier minstens zo belangrijk als de spanning zelf. Schapen zijn door hun isolerende wol minder gevoelig voor schrikdraad. Voldoende voltage is daarom extra belangrijk.
Heb je de basis helemaal op orde voor jouw betreffende dier? Begin dan met het controleren van de spanning op het draad. Dit moet minimaal 3,5 kV zijn. Jonge dieren moeten direct voelen dat de afrastering een duidelijke grens is. Controleer vervolgens de aarding. Zeker in droge periodes kan een onvoldoende aardingssysteem ervoor zorgen dat de afrastering minder goed werkt. Ook begroeiing langs de afrastering verdient aandacht. Gras, onkruid en takken die de draad raken, verlagen door kortsluiting de spanning op het draad. Loop de afrastering na en maak deze vrij voordat de dieren naar buiten gaan. Alle punten om de weide helemaal klaar te maken voor de weidegang vind je in de handige Gallagher Check.
Laat jonge dieren eerst gecontroleerd kennismaken
Een veelgestelde vraag is of jonge dieren direct de grote weide in kunnen. Het antwoord is dat gecontroleerd kennismaken vaak beter werkt. Veel dierhouders kiezen ervoor om jonge dieren eerst in een kleine trainingsweide of paddock te laten wennen aan de elektrische afrastering. In een rustige omgeving kunnen dieren het draad beter zien, verkennen en voor de eerste keer aanraken. Een schok op een rustig moment is veel leerzamer dan wanneer dit gebeurt bij bijvoorbeeld een botsing of wanneer het dier in enthousiasme door het draad rent.
Bij schapen en lammeren is het verstandig om deze kennismaking te laten plaatsvinden terwijl ze bij hun moeder lopen. Lammeren nemen het gedrag van de ooi over en leren sneller dat de afrastering gerespecteerd moet worden. Observeer de dieren in de eerste uren en dagen goed.
Blijf controleren en bijsturen
De eerste weken na het naar buiten gaan zijn cruciaal. Loop regelmatig langs de afrastering, meet de spanning en observeer het gedrag van de dieren. Verandert het gedrag, dan is dat vaak een signaal dat er iets niet klopt. Ook na een periode op stal of na de winter kan het nodig zijn om dieren opnieuw te laten wennen. Jonge dieren groeien snel en gedrag verandert.